Sappige Antwerpse woordengids

Samen met de reeks werd het taaltje aan de Koolkaai, een dialect dat bol staat van de sappige woorden en uitdrukkingen, populair in heel Vlaanderen. Bij jong en minder jong. Allicht is “den hapchard” (scheldwoord dat Ida gebruikt voor Rik) het meest bekende en het meest gebruikte. Maar er zijn nog tal van kleurrijke woorden en uitdrukkingen, die we je niet willen onthouden. Een kleine bloemlezing van het ‘Lili en Marleen’-jargon:

 

“Hapchard” - Hardvochtige egoïst (scheldwoord van Ida voor Rik)

“Vuil masjoeffel” - Masjoeffel is een volkse omschrijving voor vagina (scheldwoord van Rik voor Ida)

“Pottentaat” - Tiran (scheldwoord van Stavros voor Rik)

“Bende Krawaten” - Stelletje nietsnutten (scheldwoord van Rik voor Jef, Ida en Stavros)

“Achterlijke tette” - Een achterlijk iemand (scheldwoord van Rik voor Jef)

“Verloren kost” - Iemand waar ge niks aan hebt (scheldwoord van Rik voor Stavros)

“Grote klep” - Groot lawaai (scheldwoord van Rik voor Ida)

“Ik nagel oe klep toe” - Ik leg u het zwijgen op

“Klodder van een dochter” - Onwaardige dochter (omschrijving van Rik voor Nieke)

“Schetkont” - Kakmadam (scheldwoord van Rik voor Nieke)

“Truttemassur” - Zeveraarster (scheldwoord van Rik voor Georgette)

“De gazet drukken” - Het uitbazuinen

“Ne pirrewaan” - Een brandstichter

“Een plakijzer” - Iemand die niet afgeeft

“Ne bietekwiet” - Een raar iemand

“Iemand een safflet tegen zijn teut geven” - Iemand een mot om zijn oren geven

“Kammelot” - Prul, van geen waarde

“Een zwanske” - Een grapje

“Een schoon druif” - Een mooie jongedame

“Een hete broek” - Een geile vrouw

“Konkelfoezen” - Complotteren

“De kleine garnoot” - De kleine man

“Nen uitleg van keskeschiet” - Een uitleg van niks

“Neffen de pot pissen” - Vreemd gaan

“De boebels krijgen van…” en

“Dikke boebelen krijgen van…” en

“Op zijn sijzen krijgen van…” - Het op zijn heupen krijgen van…

“Er de blok op leggen” - Stoppen met…

“Aan zijne tutter hebben” - Het vlaggen hebben

“Met iemand zijn shokkedijzen rammelen” - Met iemand zijn voeten spelen

“Iemand plakken” - Iemand laten zitten

“Op ne wier blijven zitten” - Doordrammen over

“In de pijp liggen met” - In bed liggen/vrijen met

“Van het kantje zijn” - Uitschot

“Hij is om door het gemak te trekken” - Iemand om horendol van te worden

“Als ge uit die zijne zak een haar trekt, beginnen in Rome de klokken te luiden” - Een gierig iemand

“Van die boer geen eieren” - Dat gaat niet doorgaan

“Zeep aan uwe buik en buiten” - Ophoepelen

“Fatsen”- Spijbelen

“Er vijf gaan pakken” - Een rustpauze nemen

“Vrijen voor de muntenbollen” - Flirten

“Tegen een vat export lopen” - Op de lappen gaan

“De geel trui hebben” - Gelijk hebben