Variatie in de tuinen van Adegem

16/06/2010 - 10:59

Gastheer Koen De Bouw en tuinarchitect Timothy Cools verkennen de tuinen van Adegem waar ook het Canada Museum is gevestigd. Ze ontdekken er drie totaal verschillende tuinen: een formele Franse tuin, een ongedwongen Engelse tuin en een Japanse tuin vol symboliek.
Eigenlijk zijn het verschillende tuinen in een grote tuin. Geen verschillende tuinkamers, maar heuse tuinen. Samen drie hectare groot.

De eerste is een baroktuin, een Franse stijltuin. Heel formeel en toch een tuin die voortdurend verandert. Zo waren de buxusstruiken oud geworden en daardoor vatbaarder voor buxusziekten. De eigenaar, Gilbert van Landschoot, besloot ze te vervangen door gele taxus. De taxus is nog jong, maar het geeft wel een mooi effect.
Geel is trouwens de trendkleur in de tuinen tegenwoordig. Terug van weggeweest. Pastel heeft afgedaan, zo zegt men. En geel is de kleur van het geluk. Ook bij de Boeddhisten. Geel is een vrolijke kleur. Iemand met een voorkeur voor geel wordt in de psychologische kleurentherapie gezien als levenslustig en vindingrijk, iemand met een gezonde dosis strijdlust.

Dat past helemaal bij het beeld van Gilbert van Landschoot. Die op een boogscheut van hier ook het Canadamuseum oprichtte. Dat is een eerbetoon aan de Canadese soldaten die in 1944 de streek bevrijdden.

In de parterretuin met zijn lage hegjes voornamelijk rood. Knalrood. Heftig. Dat wordt de mode. Er is in Nederland zelfs een kweker die enkel en alleen struiken gele en rode bloemen kweekt. Onder het motto meer testosteron in de tuin.

Verderop wordt de tuin helemaal barok. Met een weids gazon en vormen van buxus. Piramiden van hulst en coniferen die van zichzelf al die vorm aannemen. En er zijn een aantal duidelijke kijkassen. Heel typisch voor de Franse baroktuinen.
Ook beelden spelen een belangrijke rol in de baroktuin. Ze richten de blik. En ze krijgen een patina van mossen en korstmossen.
De aanleg van de tuin is pas 35 jaar geleden begonnen, maar het lijkt of hij eeuwenoud is. Dat heeft onder meer met die beelden en antieke ornamenten te maken. Het zijn blikvangers en toch storen ze niet, ze domineren niet, maar richten de blik en geven de tuin stijl en cachet.

De beelden en ornamenten komen allemaal uit het familiepatrimonium en van afgebroken kastelen in de buurt.

In de pergola staan klimrozen, clematis en de trompetklimmer, Campsis radicans. Die geeft met zijn oranje trompetvormige bloemen volop kleur in het midden van de zomer, als de klimrozen zijn uitgebloeid of nog een twee adem moeten krijgen. Hier in West-Vlaanderen is hij volkomen winterhard. En gevestigde planten overleven ook in het binnenland de strengste winter.

Daarna gaan ze naar een heel andere tuin. Niet zo gestructureerd. Eerder een beetje wild. De Engelse tuin. Romantisch. Historisch gezien de opvolger van de strakke Franse tuin. In de tweede helft van de 19de eeuw werden veel Franse tuinen bij onze kastelen vervangen door Engelse landschapsparken.

Hij lijkt heel natuurlijk. Maar dat woordje ‘lijkt’ is belangrijk. Want je moet de ogenschijnlijk natuurlijke tuin voortdurend bijsturen. Het is getemde natuur.
En de grote vijver en waterval, maken het eerder tot een landschap dan een tuin. Ook dat was typisch voor de Engelse tuinen en landschapstuinen van de 19de eeuw.
Met weelderige beplanting. Azalea’s en rodo’s. En overal zitbanken om er volop van te genieten.

Elk jaar moeten rodo’s gesnoeid worden. En toch bloeien ze. Dat komt omdat ze onmiddellijk na de bloei worden gekortwiekt. Zo blijven ze gedrongen en bloeien ze toch ook het volgende jaar.
Je moet het echt durven. Zelfs als het grote struiken zijn.
Natuurlijk als je een struik van 3 m hoog afzaagt tot op 50 cm van de grond heb je het volgend jaar geen bloemen, maar wel een mooie struik. Snoeien is durven.

Er staan ruim 40 verschillende cultivars van hosta’s in de tuin. Hosta’s zijn sterke planten, met hun grote bladeren geven ze onkruid nauwelijks kansen. Ze verdragen de droogte goed en ze groeien in de halfschaduw en de schaduw. Hoe ouder de tuin, hoe meer ze van pas komen. Want dan is er veel schaduw van de bomen en de struiken.

Maar hosta’s hebben veel last van slakken. En daar hebben ze hier een handig trucje voor.
Neem een plastic pot en een heidemat. Dat is ruw materiaal, dat gemaakt is van dopheide of Erica. Doordat het ruw is, weert het slakken. Die houden er niet van. Ze schuiven als het ware over prikkeldraad. Spreid de mat uit en zet de pot met de hosta erop. Snij het stuk heidemat op grootte en bind het rond de pot. Zo vang je twee vliegen in één klap. De lelijke pot is gecamoufleerd en geen slak die langs de heidemat omhoog klimt.

De derde tuin die ze bezoeken is de Japanse tuin. Hij symboliseert de levensweg van de mens. Boven heb je de bron waar het leven ontstaat. Water vloeit nu eenmaal naar benden, ook de tijd loopt alsmaar door. En omdat het levenspad ook niet rechtlijnig is, zoekt het water via verschillende wegen zijn weg. Net als in een mensenleven. Om dan onderaan te eindigen.

De rotsen onderaan vormen een grote schildpad. Met in het midden een vormboom van een moerascypres. Schildpadden hebben de naam oud te worden. Maar ze zijn ook traag. De schildpad wil wel terugzwemmen naar de bron, maar geraken zal ze er nooit. Net als de mens die naar leven na de dood streeft…

In de Japanse tuin staat een theehuis. Dat is van zuid naar noord gericht. Opnieuw symbool voor het leven. De bron ligt voor de traditionele Japanners in het zuiden, de dood in het noorden.
Een boeddhistisch theehuis is op zijn beurt van oost naar west gericht. Zij volgen, net als in onze cultuur, de opgaande en dalende zon.


Niet alle planten in de Japanse tuin zijn Oosters. Sommige wel, zoals de Japanse esdoorns die bij de koelte van het water perfect groeien. Ook bamboe en sommige varens groeien in Japan, China en het Verre Oosten.

Maar andere doen Japans aan. Zoals de schijnbeuk of Nothofagus antarctica.
Die groeit niet oorspronkelijk in het Oosten, maar in het koele zuiden van Zuid-Amerika. In Patagonia. Hij is dus helemaal winterhard.

De rotsen zijn er imposant. Gilbert van Landschoot zegt dat er vier miljoen kg rotsen liggen.
Een Japanse tuin aanleggen is dus niet gemakkelijk. Maar je kunt het heel eenvoudig houden, een zentuin met een groot vlak van keitjes met hier en daar een rotssteen en af en toe een plant. Maar als je er een echt innerlijk landschap van maakt met een verhaal en symboliek, dan ben je er jaren mee bezig.

Deze Japanse tuin is trouwens nog steeds in evolutie. Dat zie je aan de ceder die in de steigers staat. Gilbert wil hem een heel mooie vorm geven. Na jaren zal hij die vorm aannemen.
Maar hoe kreeg hij zo een grote plant of zo een rots van een ton op zijn of haar plaats?
Ook daarvoor bestaat een truc. Hij gebruikte een ouderwetse, maar nuttige lier. Die kan tonnen torsen. Je krijgt er echt alles mee omhoog.

Wil je deze tuinen zelf bezoeken, dan kan dat. En dan moet je ook eens een blik werpen in het Canada museum.


Buxussempervirens (Buxus)
Taxus baccata ‘Aurea’ (Gele taxus)
Campsis radicans (Trompetklimmer)
Acer palmatum ‘Dissectum Rubrifolia’ (Japanse esdoorn)
Nothofagus antarctica (Schijnbeuk)


Info:

Tuinen van Adegem
familie van Landschoot
Heulendonk 21
9991 Adegem
tel 050/ 71 06 66
www.tuinenvanadegem.be

Timothy Cools                           
Tuinarchitect
Maaldreef 39
9320 Nieuwerkerken
0486/75 67 67
www.tuinarchitectengroep-eco.be

Ontdek meer over Archief